Article header background
Terug naar overzicht
Jef Schoenaerts
image

Derde zondag in de veertigdagentijd

“Om te mogen zijn wat wij in uw ogen zijn…”

image

© Lawrence Lew, OP

Het evangelieverhaal van vandaag begint heel prozaïsch:

Jezus is moe en op het heetst van de dag heeft hij dorst. Hij gaat zitten bij een bron en vraagt aan een onbekende om water. Het is een tafereel uit het dagelijks leven zoals het zich overal en in alle tijden kan afspelen. En net in en doorheen dat gewone krijgt het ongewone stilaan vorm. Want onder de laag van dat gewone gaan enkele verrassende en óngewone dingen schuil die het verhaal een vreemde wending geven. Zo stelt Jezus zijn vraag aan een vrouw, in die tijd geen evidentie. Zij is bovendien Samaritaanse die - zo leert de context - een weinig fraaie morele en sociale reputatie heeft. Die vrouw is daarbij niet op haar mondje gevallen en ze drijft de tegenstellingen die sociologisch en gelovig tussen beiden bestaan op de spits. Hoewel zij daardoor voor Jezus eigenlijk geen gesprekspartner is, blijft Jezus haar zijn aandacht geven in een eerder ongemakkelijk gebeuren.

Het kantelpunt in het verhaal ontstaat wanneer de vrouw op haar beurt water vraagt aan Jezus waardoor de rollen worden omgekeerd.

Die omkering start bij Jezus. Want ondanks de weerstand die Hij bij haar voelt, brengt Jezus het gesprek op haar persoonlijk leven. Hij vraagt naar haar man en benoemt zo onrechtstreeks wat de vrouw niet zegt nl. dat haar leven een puinhoop is. Want vijf mannen heeft ze gehad en de man die ze nu heeft, is niet haar wettige man. Die vreemdeling heeft dat heel juist aangevoeld en gezien. Zonder er enig oordeel over uit te spreken houdt Hij de vrouw een spiegel voor. De confrontatie met die waarheid is hard voor haar maar maakt ook vrij omdat ze zich door Jezus laat raken. Ze wordt immers niet herleid tot wat ze in de ogen van de goegemeente is maar wordt gezien in wie ze kan worden. Een vrouw op de dool maakt zo de omwenteling van haar leven mee en vindt eindelijk zichzelf. Net als ze helemaal aan de grond zit, reikt Jezus haar water aan dat in haarzelf bron zal worden waaruit telkens opnieuw kan geput worden. De namen waarmee ze Jezus in steeds sterkere termen aanspreekt en benoemt geven aan dat de vrouw beseft aan wie ze dat levend water te danken heeft: eerst noemt ze Jezus een jood, dan drie keer “Heer”, daarna “Profeet” om te eindigen met de vraag: “Zou dat niet de Messias zijn?”

Die ontdekking heeft haar zo sterk aangegrepen dat ze zelf boodschapper wordt, net bij diegenen in de stad die haar tot dan toe de rug toekeerden.

Vanuit de waarheid die haar is aangezegd, leidt ze anderen naar de bron van levend water.

image

© Lawrence Lew, OP

Als ik in gesprekken met jonge leerkrachten de vraag stel wat ze in het onderwijs willen bereiken, wat ze belangrijk vinden in hun taak, vertellen de meesten over de passie voor hun eigen vak die ze aan de leerlingen willen overdragen. Zelf zijn ze zo geboeid door hun kennis en hun inzichten, dat ze leerlingen daarin willen laten delen. Onlangs verraste een jonge leerkracht mij met een ander antwoord: ik wil allereerst leerlingen nabij zijn, er voor hen zijn, hen zichzelf leren kennen. Spontaan doen veel leerkrachten dit in de praktijk: luisteren naar het verlangen dat in elk van de leerlingen schuilt naar geluk en vervulling in het leven, ook al ligt dat verlangen niet op hun tong en zegt hun gedrag vaak iets helemaal anders. Hen leren luisteren naar hun innerlijke bron, hun de ogen openen voor wat achter hun gedrag zit, voor wat wel degelijk in hen leeft aan verlangen.

Het is in het gewone dagelijkse leven bij hen aan de waterput gaan zitten, benoemen wat je ziet, wat je meer ziet dan ze zelf beseffen en hen dat voorzichtig aanreiken.

Hoe God zelf met mensen omgaat, komt op zo’n momenten wellicht weinig bewust in beeld. Misschien is het pas in het achterom kijken dat kan oplichten hoe onze God verschijnt in wat het meest dagelijkse is wat een mens kan doen:

zorgen voor water, bron zijn, mensen aan zichzelf teruggeven, kansen geven aan wat in mensen sluimert aan liefde en wijsheid.


Een liedtekst uit onze liturgie verwoordt dit heel krachtig:
“Laat uw aangezicht over ons lichten,
Heer onze God en keer U tot ons
om te mogen zijn wat wij in uw ogen zijn.
Breng in ons tot leven
wat nog in het verborgene is en groeit in pijn.

Zie niet onze zonden maar laat ons opengaan
In liefde en wijsheid
In vergevensgezindheid en geduld.

(G. Zuidberg)

image

© Pixabay