Het evangelieverhaal van vandaag begint heel prozaïsch:
Jezus is moe en op het heetst van de dag heeft hij dorst. Hij gaat zitten bij een bron en vraagt aan een onbekende om water. Het is een tafereel uit het dagelijks leven zoals het zich overal en in alle tijden kan afspelen. En net in en doorheen dat gewone krijgt het ongewone stilaan vorm. Want onder de laag van dat gewone gaan enkele verrassende en óngewone dingen schuil die het verhaal een vreemde wending geven. Zo stelt Jezus zijn vraag aan een vrouw, in die tijd geen evidentie. Zij is bovendien Samaritaanse die - zo leert de context - een weinig fraaie morele en sociale reputatie heeft. Die vrouw is daarbij niet op haar mondje gevallen en ze drijft de tegenstellingen die sociologisch en gelovig tussen beiden bestaan op de spits. Hoewel zij daardoor voor Jezus eigenlijk geen gesprekspartner is, blijft Jezus haar zijn aandacht geven in een eerder ongemakkelijk gebeuren.
Het kantelpunt in het verhaal ontstaat wanneer de vrouw op haar beurt water vraagt aan Jezus waardoor de rollen worden omgekeerd.
Die omkering start bij Jezus. Want ondanks de weerstand die Hij bij haar voelt, brengt Jezus het gesprek op haar persoonlijk leven. Hij vraagt naar haar man en benoemt zo onrechtstreeks wat de vrouw niet zegt nl. dat haar leven een puinhoop is. Want vijf mannen heeft ze gehad en de man die ze nu heeft, is niet haar wettige man. Die vreemdeling heeft dat heel juist aangevoeld en gezien. Zonder er enig oordeel over uit te spreken houdt Hij de vrouw een spiegel voor. De confrontatie met die waarheid is hard voor haar maar maakt ook vrij omdat ze zich door Jezus laat raken. Ze wordt immers niet herleid tot wat ze in de ogen van de goegemeente is maar wordt gezien in wie ze kan worden. Een vrouw op de dool maakt zo de omwenteling van haar leven mee en vindt eindelijk zichzelf. Net als ze helemaal aan de grond zit, reikt Jezus haar water aan dat in haarzelf bron zal worden waaruit telkens opnieuw kan geput worden. De namen waarmee ze Jezus in steeds sterkere termen aanspreekt en benoemt geven aan dat de vrouw beseft aan wie ze dat levend water te danken heeft: eerst noemt ze Jezus een jood, dan drie keer “Heer”, daarna “Profeet” om te eindigen met de vraag: “Zou dat niet de Messias zijn?”
Die ontdekking heeft haar zo sterk aangegrepen dat ze zelf boodschapper wordt, net bij diegenen in de stad die haar tot dan toe de rug toekeerden.