Van het Albertinum verhuisde Joop naar het dominicanenklooster te Zwolle om vervolgens naar Huissen te gaan en medio 1964 weer in Zwolle te belanden. Zijn werkzaamheden begonnen toen te verschuiven van fysieke arbeid naar het werken met mensen. Hij ging handvaardigheid geven aan kinderen bij een buurthuis en werd later groepsleider van het hervormde schippersinternaat. Ondertussen volgde hij cursussen om zich verder te bekwamen. In 1972 verhuisde hij terug naar het Albertinum om te kunnen werken in het schippersinternaat bij het Jonkerbosch dat van RK-signatuur was. Hij zou dat tot 1984 blijven doen. Van 1974 tot 1978 volgde hij de MBO-opleiding Inrichtingswerk aan de Sociale Academie in Enschede.
De zorg voor de gasten deed Joop goed en hij kon ook een gevoel van vertrouwen bij hen oproepen.
Op 1 juni 1984 verhuisde Joop naar het klooster te Huissen. Hij werd daar gastenbroeder voor het gastenverblijf en werd ook belast met economische aangelegenheden voor de communiteit. De zorg voor de gasten deed Joop goed en hij kon ook een gevoel van vertrouwen bij hen oproepen. In die tijd raakte Joop betrokken bij de opvang van asielzoekers. Met Andrew uit Ghana en Léon uit Moldavië trok hij intensief op. Zijn creatieve talent kwam tot uiting in het versieren van de kapel op basis van de Schriftlezingen van de zondag. Bloemen, planten en takken werden symbolische vertalingen van de Bijbelteksten. Het was zijn manier om te preken met zijn handen. In Huissen was Joop ook een enthousiast en betrokken lid van de Regionale Dominicaanse Familiegroep. Vele activiteiten heeft hij mede georganiseerd.
Al deze bagage nam Joop mee naar het klooster te Venlo waar hij in 1999 ging wonen. Hij kreeg daar als specifieke taak de mantelzorg voor de oudere en zieke medebroeders. Hij vond dit werk mooi om te doen, omdat het aansloot bij zijn roeping en karakter. Ook leidde hij er groepen rond. Toen dit klooster in 2005 werd gesloten, verhuisde hij naar het Mariaconvent in Berg en Dal waar hij mantelzorger bleef voor kwetsbare medebroeders.
Joop had een hechtte vriendschap met zijn medebroeders Piet Maagdenberg in de tijd van het Albertinum en later met Jan Verheul en de dominicaanse leek Anneke van Balen. Hij wandelde graag en kon enthousiast verhalen over bijvoorbeeld zijn bijzondere vakanties, uitstapjes, professiefeesten of bijeenkomsten met zijn familie. Maar Joop kon ook zichzelf verliezen en werd geregeld gekweld door gevoelens van minderwaardigheid. Hij kon dan nors reageren.