“Toen ze Jeruzalem naderden”, zo begint hoofdstuk 21 van het evangelie van Matteüs. Jezus komt aan in de iconische stad. Hij wordt er enthousiast ontvangen, maar botst er heftig met de religieuze leiders. In de tempel houdt Hij grote kuis en geneest blinden en verlamden. Overal klinkt “Hosanna voor de Zoon van David”. De hogepriesters en schriftgeleerden zijn verontwaardigd en nemen aanstoot aan die lofzang. Jezus gooit nog olie op het vuur en lacht hen uit door te vragen of ze het psalmvers “Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt U zich lof laten toezingen” dan niet kennen.
Jezus is teleurgesteld in de religieuze leiders. Dit wordt heel plastisch uitgebeeld in het korte verhaal van de vijgenboom: “Toen Hij vroeg in de morgen naar de stad terugkeerde, kreeg Hij honger. Langs de weg zag Hij een vijgenboom staan. Hij liep ernaartoe, maar er zaten alleen maar bladeren aan. Daarop zei Hij tegen de boom: ‘Nooit ofte nimmer zul je meer vrucht dragen!’ Ogenblikkelijk verdorde de vijgenboom.” Met zijn bladeren ziet de vijgenboom er nog wel mooi uit, maar hij draagt geen vruchten. Ondanks zijn bladeren is hij eigenlijk dood. Door de boom te doen verdorren maakt Jezus de ware aard van de vijgenboom voor iedereen duidelijk. Uiteraard is de vijgenboom een beeld voor de tempel met zijn leiders.
Als de religieuze elite in Jeruzalem een dode boom is, wie zijn dan de bomen die wel vrucht dragen?
Jezus kondigt het koninkrijk van de hemel aan en nodigt iedereen uit om Hem hierin te volgen, maar Hij stoot op onbegrip, afwijzing en vijandschap.