Wanneer iemand sterft, komen er vragen op. Soms uit onbegrip. Waarom is onze dierbare juist nu overleden? Soms uit verwondering. Zullen wij elkaar ooit terugzien? De herinneringen die we hebben, houden iemand in ons hart en in onze gedachten, maar ze geven geen antwoord op deze vragen. Op veel vragen zullen we waarschijnlijk ook geen antwoord krijgen in dit leven.
In de eerste lezing hoorden we Job spreken, een man die bijna alles had verloren. Ook hij kon dat maar moeilijk bevatten en stelde veel vragen. Toch, temidden van zijn verdriet, sprak hij die krachtige woorden van vertrouwen: “Ik weet: mijn verlosser leeft.” Job kreeg geen antwoord op al zijn vragen, maar hem was wel de genade gegeven om erop te vertrouwen dat God hem te midden van dat alles niet zou loslaten.
Daar ligt de grondslag van onze christelijke hoop. Niet in ons eigen vermogen, maar in de almacht van God en in Zijn trouw.
We geloven immers niet in de verrijzenis omdat de mens uit zichzelf sterker zou zijn dan de dood, maar omdat God trouw is aan zijn belofte.
In Jezus Christus heeft die belofte haar vervulling gekregen.
De apostel Paulus schrijft dat God zijn liefde voor ons bewijst, “doordat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren.” Hier komt een ander aspect van Gods trouwe liefde naar voren: zij is geen beloning voor een volmaakt leven. Zij gaat aan onze verdiensten vooraf en heeft de kracht om ons te veranderen. Dankzij Gods barmhartigheid kan onze gebrokenheid geheeld worden. Dat zien we ook aan de verrezen Heer, die nog altijd de wonden van zijn kruisiging draagt. Zijn aardse leven, zelfs zijn lijden, is opgenomen in de overwinning van Gods liefde.