Article header background
Terug naar overzicht
Augustinus Aerssens
image

Allerzielen

Vandaag gedenken wij onze dierbare overledenen. Wij noemen hun namen en vertrouwen hen in gebed toe aan Gods barmhartigheid. Wij denken aan velen van hen met dankbaarheid. Aan anderen hebben we misschien complexere herinneringen. Maar ook hen willen wij vandaag in ons gebed niet vergeten.

image

© Lawrence Lew, OP

Wanneer iemand sterft, komen er vragen op. Soms uit onbegrip. Waarom is onze dierbare juist nu overleden? Soms uit verwondering. Zullen wij elkaar ooit terugzien? De herinneringen die we hebben, houden iemand in ons hart en in onze gedachten, maar ze geven geen antwoord op deze vragen. Op veel vragen zullen we waarschijnlijk ook geen antwoord krijgen in dit leven.

In de eerste lezing hoorden we Job spreken, een man die bijna alles had verloren. Ook hij kon dat maar moeilijk bevatten en stelde veel vragen. Toch, temidden van zijn verdriet, sprak hij die krachtige woorden van vertrouwen: “Ik weet: mijn verlosser leeft.” Job kreeg geen antwoord op al zijn vragen, maar hem was wel de genade gegeven om erop te vertrouwen dat God hem te midden van dat alles niet zou loslaten.

Daar ligt de grondslag van onze christelijke hoop. Niet in ons eigen vermogen, maar in de almacht van God en in Zijn trouw.

We geloven immers niet in de verrijzenis omdat de mens uit zichzelf sterker zou zijn dan de dood, maar omdat God trouw is aan zijn belofte.

In Jezus Christus heeft die belofte haar vervulling gekregen.

De apostel Paulus schrijft dat God zijn liefde voor ons bewijst, “doordat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren.” Hier komt een ander aspect van Gods trouwe liefde naar voren: zij is geen beloning voor een volmaakt leven. Zij gaat aan onze verdiensten vooraf en heeft de kracht om ons te veranderen. Dankzij Gods barmhartigheid kan onze gebrokenheid geheeld worden. Dat zien we ook aan de verrezen Heer, die nog altijd de wonden van zijn kruisiging draagt. Zijn aardse leven, zelfs zijn lijden, is opgenomen in de overwinning van Gods liefde.

image

© Lawrence Lew, OP

Zo mogen we hopen dat het leven van onze dierbaren bij God niet verloren gaat, maar tot voltooiing wordt gebracht. In de liturgie van de professie van een kloosterling en de wijding van een priester klinken de woorden: “Moge God, die het goede werk in je begonnen is, het ook tot voltooiing brengen.” Die woorden drukken een vertrouwen uit dat verder reikt dan ons aardse leven. Want wat God in ons begonnen is, blijft hier op aarde altijd nog onvoltooid. We mogen hopen dat Hij het eens, voorbij de grens van de dood, tot vervulling brengt.

Vanuit die hoop bidden wij vandaag voor onze overledenen. Wij kennen hun levensgeschiedenis, maar nooit zoals God die kent. En wij hoeven ook niet op zijn oordeel vooruit te lopen. Wij mogen hen eenvoudig aan Hem toevertrouwen, aan de liefde waarmee Hij hun leven begonnen is. Het is dezelfde liefde, waarmee Hij hun leven tot voltooiing wil brengen.

Die liefde klinkt ook in het evangelie, als Jezus zegt: “Komt tot Mij, allen die zwoegt en onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust schenken.” De kerkvader Johannes Chrysostomus legt uit dat Christus ons niet tot zich roept om ons ter verantwoording te roepen, maar om ons van onze zonden te bevrijden. Hij zoekt niet de eer die wij Hem kunnen bewijzen, maar ons heil. Daarin ligt onze hoop voor de overledenen: dat zij bij Christus de rust mogen vinden die Hij ons heeft beloofd.

Deze rust van de Heer is niet eenvoudig het einde van alle moeite, maar de vervulling van het menselijk leven in de gemeenschap met God. Het is de rust waarnaar Job verlangde toen hij zei: “Ik zal God zien, met eigen ogen.”

Met Allerzielen vertrouwen wij onze dierbaren aan die belofte toe. Wij weten niet wat ons voorbij de dood te wachten staat. Maar wij mogen hopen dat zij bij God de vervulling vinden van hun leven, en dat wij hen eens zullen terugzien in zijn Koninkrijk.

image

© Lawrence Lew, OP