Onze veertigdagentijd is een symbolische herhaling
van de tocht van het Joodse volk door de woestijn, die veertig jaar duurde. Deze tijd in de woestijn was een periode van soberheid. Eerst is er regelrechte schaarste: geen water, geen voedsel. God geeft vervolgens water (Ex.17,1-8), brood – manna – en vlees in de vorm van kwartels (Ex. 16,1-36). Maar het is steeds precies genoeg. Dit in tegenstelling tot in het land waar God het volk heenleidt: dat is een land ‘dat overvloeit van melk en houding’. Maar de overvloed doet vergeten dat het God is die uiteindelijk eten, drinken en beschutting geeft en de bron is van vruchtbaarheid, groeikracht en oogst. De verleiding ontstaat om almaar meer te willen en te gaan geloven in rijkdom en macht. Alles wordt op alles gezet om die te veroveren en te handhaven. Er ontstaan er nieuwe vormen van onderdrukking en slavernij.
Tegen deze achtergrond schilderde de profeet Hosea de tijd in de woestijn af als wittebroodsweken. Het volk leefde van de nabijheid van God, wist zich geliefd en had daar genoeg aan. In naam van God belooft de profeet Hosea (2,16) daarom het volk opnieuw in de woestijn te brengen en tot haar hart te spreken. Het volk zal God opnieuw ‘mijn man’ noemen (vers 18) en God belooft het volk te nemen ‘als mijn bruid voor altijd, als mijn bruid in recht en gerechtigheid, in goedheid en mededogen’ (vers 21). Een tweede huwelijksreis, een hernieuwing van de huwelijksbelofte, het opnieuw aanblazen van de liefde: dat is waar de soberheid van de woestijn voor staat. Vasten is ervoor bedoeld in deze zin de woestijn in te trekken. Uitgenodigd door God, maar als vrij antwoord: ja, ik wil!
Daarbij een somber, vertrokken gezicht tonen, is dan misplaatst. Dan vind je al die liefdespartners die je niet kiest blijkbaar een verlies en aarzel je of dat wel opweegt tegen het winnen van die Ene. Dat is niet werkelijk de woestijn intrekken om opnieuw je hart te laten veroveren, dat is en blijft halfhartig. In plaats daarvan worden we door Jezus aangespoord ons zonder terughoudendheid te richten op die ene partner die vanuit het verborgene ons leven draagt en betekenis geeft. Kom tevoorschijn in zijn licht, zoals een bruidegom zijn kamer verlaat en de bruid haar bruidsvertrek. Opgesmukt en in feestkledij om uitbundig bruiloft te vieren.
De opsmuk heeft vandaag nog de gestalte van zijn tegendeel. Met Pasen zal Jezus als eerstgeborene van Gods nieuwe volk in glorie verschijnen. Wij maken tijdens de veertig dagen op weg naar Pasen ruimte voor deze glorie, die uiteindelijk ook over ons zal opgaan. Om die ruimte te maken vasten we van wat wel glorie lijkt, maar het uiteindelijk niet werkelijk is. We laten ons vandaag, aan het begin van die veertig dagen tekenen met as en laten ons aanzeggen dat wij het ware leven alleen vinden in het evangelie dat Jezus verkondigt. Alles wat we nu zijn en hebben is uit stof gemaakt en zal tot stof terugkeren, opdat wij uit dat stof nieuw zullen opstaan, met God verzoend (vgl. 2 Kor. 5,20). Geloof in, hoop op en liefde voor zijn weg, zijn waarheid en zijn leven zullen dan de zalf zijn waarmee ons hoofd wordt gezalfd.