Vandaag is het de laatste zondag van het liturgische jaar. Traditioneel vieren we op deze zondag het feest van Christus Koning. Sta mij toe eerst kort de achtergrond van dit bijzondere feest te schetsen. Het werd iets meer dan een eeuw geleden, in 1925, ingesteld door paus Pius XI. Het werd voornamelijk ingevoerd als een soort buffer tegen het verlies aan religieuze en politieke invloed van de Kerk in de samenleving, én tegen extreemrechts en extreemlinks, namelijk de opkomst van het fascisme en het communisme in de eerste decennia van vorige eeuw. De macht en de wetten van Christus staan boven die van wereldlijke machthebbers, zo beklemtoonde de Kerk toen. In veel kerken verschenen afbeeldingen van Christus als Koning: breedgeschouderd, met een kroon op het hoofd, gezeten op een troon, met de rechterhand opgeheven en een scepter in de linkerhand. Als kind maakte ik nog de plechtige processies mee waarmee dit feest uitbundig werd gevierd. Met mijn kinderstem zong ik in het koor de neoromantische achtstemmige hymne mee: Christus vincit, Christus regnat, Christus imperat. Christus overwint, Christus heerst, Christus regeert. Ik krijg er nog kippenvel van. Onder begeleiding van groot orgel en trompetten weerklonk in de kerk een uitbundige strijdbaarheid.
Maar de liturgie van vandaag toont ons een heel ander beeld:
Jezus niet als een koning die macht en majesteit uitstraalt, maar vooreerst als een koning die tegelijk rechter en herder is. Wat een merkwaardige combinatie.
Dat samengaan van rechter-zijn en herder-zijn vinden we terug in de krachtige psalm 72. Ziehier enkele verzen: “Geef uw wijsheid, God aan de koning. Dat hij een herder mag zijn voor uw mensen, voor uw arm volk een rechtvaardige rechter. Hij zal opkomen voor de misdeelden, recht doen aan de minsten van de zijnen. Hij zal de redder zijn van de arme, een vriend voor wie niemand heeft. Voor kleine mensen is hij bereikbaar, wie geen rechten hebben, geeft hij hoop. Hun bloed is kostbaar in zijn ogen. In die dagen zullen trouw en waarachtigheid bloeien, zal er vrede in overvloed zijn.” Geen wonder dat de christenen deze psalmbeelden van rechter, herder en koning, hebben toegepast op Jezus. De Christus, de Gezalfde, geroepen om vrede en gerechtigheid te brengen, gezalfd om speciale aandacht te hebben voor degenen op wie gewoonlijk neergekeken wordt. Jezus, Gods beminde Zoon, als de koning die herdert en de kleinen in bescherming neemt. Zo hadden ze over hem horen spreken.
Jezus stond dus in de profetische traditie die uiterst kritisch was tegenover misbruik. In het Oude Testament zien we dat zowel God als zijn profeten het niet begrepen hadden op koningen, daar waar dezen enkel eigen voordeel betrachtten. Zo ook Jezus. Weliswaar noemde hij zich tijdens zijn verhoor door Pilatus koning, maar - zo zei hij - niet van deze wereld. Pilatus had waarschijnlijk niet eens door dat het beter is geregeerd te worden door een koning die zich als mens gedraagt dan door een mens die zich als koning gedraagt. Niet als iemand die neerkijkt op een ander, maar als iemand die naar de ander omziet met mededogen. Hoor: “Eens werd er om middernacht, terwijl rabbi Moshe de Torah bestudeerde, aan zijn raam geklopt. Buiten stond een dronken boer en wenste te worden toegelaten voor nachtopvang. Een ogenblik was het hart van de rabbi vertoornd en zei: ‘Wat permitteert die zatlap zich en wat moet die hier in huis?’ Maar wat later sprak zijn hart opnieuw: ‘En wat moet die zatlap buiten, in Gods wereld?’