Af en toe kom ik nog wel eens iemand tegen die verzucht: “Wat hebben ze ons vroeger toch allemaal wijsgemaakt”. Dan gaat die verzuchting niet alleen over hoe de inhoud van het geloof vanop de preekstoel of in godsdienstlessen op school werd uitgelegd, maar wellicht nog meer over de bijhorende morele regels… en de schuldgevoelens die daarmee gepaard gingen. De generatie die dat nog heeft ondergaan, en - naar eigen zeggen - mede daardoor de kerk de rug heeft toegekeerd, wordt echter steeds kleiner en maakt langzaam plaats voor mensen die daar geen enkele notie meer van hebben. Zo werd ten aanzien van de kerk bitterheid opgevolgd door onwetendheid en onverschilligheid, en tegenwoordig niet zelden door ergernis omwille van misbruik. Bovendien roepen een aantal uitspraken uit het evangelie, vooral die van vandaag over ‘zijn kruis opnemen’ en ‘zijn leven verliezen’ als de noodzakelijke weg om Jezus te volgen, het beeld op van het christendom als een godsdienst waar weinig vreugde te beleven valt, waar ik berust in wat mij overkomt, waar ik mijn woede moet inslikken. Een godsdienst van offertjes, zeg maar offers. Anderzijds is het zo dat mensen in diepe nood echte troost vinden in het kruis van Jezus.
Het is dus nodig om in het korte bestek van deze preek stil te staan bij de diepe betekenis van zijn kruis opnemen en zijn leven verliezen. Laten we beginnen met een hardnekkig misverstand op te ruimen door te zeggen dat God voor niemand op deze aarde het lijden wil. Anderzijds is voor de overgrote meerderheid van de mensen in alle tijden de wereld wel degelijk een tranendal, een oord van miserie. Hun leven wordt enkel ingevuld met oorlog, honger, leugen, moord. We kennen maar al te goed de mensonterende lijst, tot op vandaag.
Nu kan ik wel zeggen dat God voor niemand het lijden wil, maar toch botst van oudsher het bestaan van al dat lijden en kwaad met het geloof in Gods oneindige goedheid.
Er is de klassieke formule: “Als God bestaat, waarom dan het kwaad?”. Of wij zeggen het nog concreter: waarom laat God toe dat die jonge moeder van vier opgroeiende kinderen sterft aan kanker? In alle eerlijkheid moet ik zeggen: ik weet het niet. Wat ik wel aanvoel: het klopt niet met mijn geloof. Ik voel mij verwant met Alyosha, de jongste van de gebroeders Karamazov in de gelijknamige roman van Dostojevski.
Alyosha aanhoort gekweld het betoog van zijn broer Ivan die tevergeefs zoekt naar een verstandelijke verklaring van het probleem van het onschuldig lijden, vooral van kinderen. Alyosha is evenzeer geschokt door dat kwaad, maar hij gelooft niet in filosofische redeneringen. Hij stelt zijn vertrouwen in liefde en mededogen. Als christen gelooft hij in God die zelf in en door de gekruisigde Jezus het lijden is binnengegaan. Na het aanhoren van nog een lang verhaal van Ivan, kijkt Alyosha zijn oudere broer zwijgend aan. En dan schrijft Dostojevski het ontwapenende zinnetje: “Alyosha stond op, ging naar zijn broer toe en kuste hem zwijgend, zacht op zijn mond”.
Zijn kracht is het zwijgende mee-lijden.Daarin volgt hij de gekruisigde Jezus na. Jezus die in het kruis uiting is van Gods betrokkenheid bij ons lijden.
God is niet de verre aansprakelijke regisseur van het wrede wereldtoneel, wel Hij die intens meevoelt met elk slachtoffer van die wreedheid. Daarom kon Gerard Reve bidden: “Eigenlijk geloof ik niets, en twijfel ik aan alles, zelfs aan U. Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft, dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam, en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt, zoals ik U”.