Het evangelie voert ons vandaag naar de rivier de Jordaan. Reeds in het Oude Testament neemt de Jordaan een bijzondere plaats in. De Jordaan vormt daar de grensrivier tussen het land van de ‘heidenen’ en het land dat door de Eeuwige is beloofd aan wie zijn geboden onderhouden. Het joodse volk is ooit samen met de Ark des Verbonds – teken van Gods aanwezigheid – droogvoets door de Jordaan heen getrokken. Ze daalden in de rivier af en stegen daaruit weer op, zo vertelt het Bijbelboek Jozua. Zo bereikten ze na een tocht van veertig jaar het Beloofde Land. De Jordaan markeert in de verbeelding van het Oude Testament de grens tussen dood en leven. Het is op deze plek dat Jezus door Johannes wordt gedoopt en aan ons verschijnt als geliefde Zoon in wie God vreugde vindt.Op de grens van dood en leven dus.
Afdalen en opstijgen:
dat is de weg die het joodse volk volgens het Oude Testament is gegaan, door de dood heen naar het leven. Kón Jezus een andere weg gaan dan zijn volk? Wílde hij een andere weg gaan? Johannes de Doper worstelt kennelijk met deze vragen. Hij stribbelt immers tegen; hij wil Jezus aanvankelijk niet dopen, vindt dat het eerder zo moet zijn dat Jezus hém doopt. Maar Jezus antwoordt: “Laat nu maar, want zo behoren wij de gerechtigheid volledig te vervullen.”
Jezus kon noch wilde een andere weg gaan dan zijn volk.
Het ging hem immers niet om zijn eigen hachje of zielenheil, maar om een nieuwe wereld voor allen. In Jezus’ doop worden de Schriften vervuld. Ook zijn leven is daarom een afdalen en opstijgen, door de dood heen naar het leven.