Jezus is met zijn leerlingen in het uiterste noordoosten van Israël aanbeland, na een lange reis vanuit Jeruzalem. Op die reis hebben zijn leerlingen mogen ervaren en ontdekken hoe Hij leeft en denkt, wat Hij zegt en doet. Nu wil Jezus naar Jeruzalem terug en vindt Hij het de hoogste tijd om de kwestie van zijn identiteit met zijn leerlingen te bespreken. Hij doet dat door twee vragen te stellen. Hij begint met de algemene vraag wie de ménsen zeggen dat Hij is. Heeft mijn doen en laten een impact op de mensen, komt mijn boodschap bij de mensen over als van God gezonden? Maar daarna komt Jezus’ tweede vraag. Die is persoonlijk aan de leerlingen gericht: ”En jullie? Jullie hebben mij al een tijdje bezig gezien, wie zeggen jullie nu dat Ik ben?” Dergelijke vraag is geen vraag in het algemeen, het is geen vraag naar gegevens die op je identiteitsaart staan (geboortedatum en plaats, geslacht, foto, huidige verblijfplaats enz.) Als Jezus aan de leerlingen vraagt: “Wie ben Ik?”, dan vraagt Hij niet naar dergelijke gegevens, maar eigenlijk zegt Hij:
“Wat betéken Ik voor jou?” Als je daarop een antwoord wil geven, moet je ook jezelf wel willen prijsgeven.
Op de eerste vraag antwoorden de leerlingen wat ze hier en daar hebben opgevangen bij de mensen. Die populaire opvatting vereenzelvigt Jezus met enkele hoogstaande en vereerde profeten: Elia, Jeremia, Johannes de Doper. Kritische reuzen van de Joodse godsdienst. In elk geval plaatsen de mensen hem op dat hoge niveau. Maar ja, de mensen, ze zeggen zoveel en ze hangen zo gemakkelijk hun huik naar de wind. Met eenzelfde heftigheid zullen ze straks zijn executie, zijn kruisiging eisen... Op de tweede vraag, namelijk die aan de leerlingen persoonlijk, is het alleen Simon Petrus die antwoordt. Zoals altijd onstuimig, de man met de grote mond en het kleine hart. Letterlijk zegt hij: “Gij zijt de Messias (of de Christus), de Zoon van de levende God”. Inderdaad, een mondvol, waar hijzelf nauwelijks de draagwijdte van snapt. God heeft jou dat in de mond gelegd, zegt Jezus. Maar gelukkig, de grote woorden zijn eruit. “Messias” en “Zoon van de levende God”. Dát betekent Jezus voor hen en voor ons. Hij zal ons en onze wereld redden, Hij zal recht en vrede brengen. Op een onverwachte manier, trouw tot in de dood. En even belangrijk, het is God zelf die zich daarin heeft getoond.