Diezelfde beweging van grenzen doorbreken zien we terug in het evangelie – al krijgt die hier een duistere kant. De Farizeeën spelen een sluw spel om Jezus het zwijgen op te leggen. Daartoe sturen zij hun leerlingen op Hem af, vergezeld door de Herodianen: normaal gesproken elkaars felle tegenstanders, maar in hun gezamenlijke streven om Jezus ten val te brengen, leggen zij hun verschillen tijdelijk opzij en vormen zij een verrassend bondgenootschap.
Hun vraag lijkt eenvoudig: "Mag men belasting betalen aan de keizer of niet?"
Maar het is een valstrik. Wat Jezus ook antwoordt, Hij lijkt te verliezen. Zegt Hij "ja", dan vervreemdt Hij zich van het volk dat onder de Romeinse bezetting lijdt. Zegt Hij "nee", dan kan Hij worden aangeklaagd als oproerkraaier.
Jezus weigert echter mee te gaan in hun zwart-wit denken. Hij vraagt om een munt en stelt een tegenvraag: "Van wie is die afbeelding?" "Van de keizer." Dan volgt het beroemde antwoord: "Geef aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is."
Maar daarmee lost Jezus niet simpelweg een politiek probleem op. Hij verplaatst de vraag naar een dieper niveau. Want als de munt het beeld van de keizer draagt, dan mag zij terug naar de keizer.
Maar de mens draagt niet het beeld van de keizer. De mens draagt het beeld van God,
zoals het scheppingsverhaal het al zegt: God schiep de mens naar zijn beeld (Genesis 1:27). En dan wordt de werkelijke vraag: aan wie behoort jouw leven toe?
En hier raken de lezingen van vandaag elkaar. Cyrus, de machtige keizer, staat uiteindelijk in dienst van Gods plan. Zo wordt ook ieder mens, die Gods beeld in zich draagt, uitgenodigd zijn/haar leven aan God toe te vertrouwen.
Dat is ook een actuele vraag. Wij leven in een tijd waarin allerlei machten aanspraak maken op onze aandacht: economie, technologie, politiek, sociale media, carrière, prestatie. Ze vragen allemaal tijd, energie en loyaliteit. Op zichzelf zijn die dingen niet verkeerd. Jezus zegt niet dat de wereld er niet toe doet. De belastingmunt mag gewoon betaald worden.
Maar Hij vraagt wel: wat heeft uiteindelijk je hart? Waar ligt je diepste trouw?
Denk aan iemand die je kent die, zonder er veel woorden aan vuil te maken, gewoon zichtbaar goed doet, die tijd maakt voor een eenzame buurman, die een dement iemand bij de roltrap even helpt. Vaak zijn het juist zulke kleine, onopvallende daden waarin iets van Gods beeld in een mens zichtbaar wordt.
Misschien is dat wel de beste toetssteen. Niet: hoeveel macht hebben wij? Niet: hoeveel invloed oefenen wij uit? Maar: groeit ons geloof? Wordt onze liefde concreter? Houdt onze hoop stand? Wanneer dat gebeurt, geven wij aan God wat God toekomt.
Dan worden wijzelf, net als Cyrus op zijn eigen manier, instrumenten van Gods toekomst. Misschien zonder spectaculaire daden, en soms zonder het zelf te beseffen.
Maar zou het niet zo kunnen zijn dat God juist dan door ons heen werkt - telkens wanneer wij verzoening brengen waar verdeeldheid heerst, hoop waar wanhoop dreigt en waarheid waar verwarring regeert - en zichtbaar wordt wiens beeld wij werkelijk dragen?