Wat is het grootste gevaar voor ons geloof?
Zo vraagt Timothy Radcliffe in zijn jongste boek Leven in volheid. Dat God niet meer wordt genoemd in de maatschappij? Dat de kerken leeglopen? “Nee”, zegt hij.
“Het is het temmen van de verbeelding”, van het verlangen, van het zoeken.
Hij bedoelt een godsdienstige praktijk, waaruit de onrust verdwenen is godsdienst als zegen over je voorspoed, je banksaldo en koopkracht, of godsdienst als stelligheid in de leer, regels en geboden, een godsdienst zonder twijfels, met een neerbuigende blik naar ‘al die dwalenden die van niets weten’;of godsdienst als jezelf in een hemelse wereld afsluiten voor de ellende op aarde. Je wordt niet meer geraakt en uit jezelf getrokken; weg is het avontuur. Je dreigt zelf-voldaan en jezelf-genoeg te worden; je valt op jezelf terug; het leven is eruit.
Levensgroot wordt dit voor ons neergezet in het evangelieverhaal van vandaag: in het contrast tussen godsdienstige Schriftgeleerden in Jeruzalem, gezeten rond Herodes,en heidense magiërs die geboeid raken door een ster en op reis gaan, het onbekende in.De Schriftgeleerden bewaren een kostbare schat: de Schriften die je de weg wijzen waar je het zoeken moet, waar het om gaat, wil je echt leven.
Maar ze slaan de Schriften pas open als zoekers van buiten zich melden met hun vragen en ze doen er zelf niets mee: terwijl die laatsten op weg gaan, blijven zij zitten op hun plek. De magiërs doen het anders, zij wagen zich aan het onbekende, gaan het avontuur aan. Wat die ster ook moge zijn, voor hen wijst het op wat ‘boven’ is, wat boven plannen en berekeningen uitgaat. Het geloof begint met “Trek weg. Ga op reis”. Zo doet Abraham, vader van alle gelovigen. En zo doen die zogeheten ‘ongelovigen’, de magiërs.