“Na de sabbat, bij het aanbreken van de eerste dag van de week, kwamen Maria Magdalena en de andere Maria naar het graf kijken”. Zo begint het evangelie van deze paaswake. De verrijzenisverhalen beginnen als grafverhalen. Het gaat over mensen die naar een graf gaan, mensen in een grafstemming.
Als wij Pasen vieren, moeten we ook beginnen in een grafstemming. We moeten gaan naar het graf van onze aardse verwachtingen.
Willen we met Pasen iets van heropstanding en nieuw leven beleven, dan is het nodig dat het oude leven in ons sterft, dat we vooraf al onze aardse zekerheden ten grave hebben gedragen. Dat is niet niets. Dat heeft iets weg van een aardverschuiving. Dat gebeurt in het evangelie ook : “Plotseling ontstond er een hevige aardbeving”, toen de vrouwen bij het graf aankwamen, zo zegt de evangelist. Bij Jezus’ dood had hij ook al zo iets geschreven : “De aarde beefde en de rotsen spleten” (Mt. 25,51). Daarmee wil de evangelist een fysisch natuurverschijnsel hanteren als metafoor om te verwijzen naar wat er geestelijk gebeurt.
Mensen hebben soms zoveel houvast aan dingen buiten God, de aarde biedt zoveel vastheid, dat zij zich allerlei twijfels kunnen permitteren over God. Maar als die vaste grond onder hun voeten bezwijkt, dan zie je hen openkomen voor Hem die blijft. Zoals die honderdman onder het kruis, bij het zien van wat er gebeurde, die grote aardbeving die rotsen deed splijten, door een grote vrees bevangen werd en zei : “Waarlijk, Deze was de Zoon van God…” (Mt. 27,54)).
Als we ergens het einde van beleven, van iets dat zo vast was als een rots, als alles zodanig dooreen geschud wordt dat onze denkwereld op instorten staat en we het einde van een zekerheid beleven, het einde van een bepaalde periode in ons leven of van een fase in ons geloofsleven, en we weten niet meer hoe het verder moet? als onze gezondheid het begeeft, of een relatie wegvalt, of we voelen ons tekort gedaan en innerlijk gekwetst aan de kant gezet, of we blijken ineens minder opgewassen tegen onze taak dan we dachten,… als we hóe dan ook ergens het einde van zien, het einde van menselijke zekerheid in ons lichaam of in onze ziel, “weest dan niet bevreesd”, want in het zwart gat waarin we dan zitten, in dat graf waarin onze aardse zekerheid bedolven is geraakt, verschijnt een licht uit de andere wereld, een lichtstraal van de heilige Geest zal de steen voor onze ogen wegrollen en ons beneveld geloof verlichten. Zo was het al op de eerste Paasdag : “Een engel van de Heer daalde uit de hemel neer, kwam naderbij, rolde de steen weg, zette zich daarop neer… Hij straalde als een bliksemschicht… Hij sprak de vrouwen aan en zei : Ge hoeft niet bevreesd te zijn…”.
Met andere woorden : wees niet bang voor ziekte of zwakte, wees niet bang voor je eigen bangheid en angst.
Wees niet bang dat je niet beantwoordt aan de zo verstandige verwachtingen van de mensen rondom je. Wees niet bang voor je grenzen, voor de grenzen van je kunnen. Wees niet bang voor je onmacht, voor je onzekerheid. Wees niet bang voor tegenwind en tegenslag, wees niet bang voor stormen in je leven. Wees niet bang voor mensen en mensenmachten. Wees niet bang voor wie of wat dan ook.