Jezus ziet een man bij het tolhuis zitten en zegt eenvoudig: “Volg Mij.” Het roepingsverhaal is kort en radicaal.
Dat moment is indringend verbeeld door Caravaggio (ca. 1600). In zijn schilderij valt een lichtstraal van buiten naar binnen — als een echo van het scheppingswoord “Er moet licht zijn.” Jezus’ hand, die naar Matteüs wijst, doet denken aan de hand van God die de mens tot leven wekt in het beroemde fresco van Michelangelo. Alsof hier opnieuw iets wordt geschapen: een mens die opstaat en opnieuw begint.
Jezus verrast en choqueert zijn tijdgenoten. Hij zoekt mensen op, allerlei mensen, en laat hen toe in zijn kring — zonder eerst te selecteren. Met, wat we nu zouden noemen, een voorkeursoptie voor de armen. Maar ook tollenaars worden dus opgenomen in de kring van Jezus: mensen die belastingen inden voor de Romeinen en zich daarbij vaak verrijkten. Ze golden als collaborateurs en werden gemeden.
Wanneer Jezus daarover kritiek krijgt, antwoordt Hij met een woord van de profeet Hosea: “Ik wil liever barmhartigheid dan offers.”
Wat komt het, voor ons misschien vreemde, woord ‘offer’ hier nu doen in dit verhaal? Laten we hier even op in te gaan.
Offeren behoort tot de oudste religieuze praktijken. Mensen probeerden zo de goden gunstig te stemmen: om bescherming te vragen, om rampspoed af te wenden. Ook in Israël maakte het offer deel uit van het religieuze leven. Maar de Bijbel laat een duidelijke ontwikkeling zien: het offer wordt geleidelijk gezuiverd. Het wordt niet langer een middel om God te beïnvloeden, maar een teken van het Verbond — een antwoord op een God die zelf het initiatief neemt. De profeten hebben daar steeds opnieuw aan herinnerd. Ook Jezus staat in die lijn.
Het centrale verhaal van de Joodse Bijbel is immers dat van een God die het lijden van zijn volk ziet en afdaalt om te bevrijden. De richtlijnen die God via Mozes geeft, zijn geen voorwaarden om die liefde te verdienen. Ze wijzen een weg naar leven. Gods betrokkenheid is niet contractueel, maar verbondsmatig: Hij engageert zich, eenzijdig en trouw. Zijn liefde reikt verder dan ons menselijke vermogen tot wederkerigheid (Ex. 34).