Article header background
Terug naar overzicht
Dolf Niesen
image

Twintigste zondag door het jaar

Kijk even naar deze uitsnede uit een antieke prent over de kanaänitische vrouw. Het is een klein stukje uit een veel grotere afbeelding. Maar wat je ziet is heel typerend.

image

Bowyer Bible | Phidev74, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons

Er knielt een vrouw voor Jezus.

Met open, smekende handen. Ze treedt naar voren, zegt het verhaal. Later: ze komt naderbij, ze werpt zich voor zijn voeten. Ze komt met een bede. Niet eens voor zichzelf: haar dochtertje is bezeten. Het kind wordt verschrikkelijk gekweld. Mij dunkt: zo’n bede raakt je tot in het diepst van je ziel.

Het is een heel gezelschap daar bij Jezus: veel gezichten vol meewarigheid, weerzin, misprijzen, ergernis, minachting. Ze zijn boos om dat lastige mens. Stuur die vrouw weg, ze blijft ons achterna roepen. Jezus zelf kijkt ook niet vrolijk op de prent. Hij keert zich nauwelijks naar de vrouw toe. Hij wijst vooruit naar iets anders. Hij heeft kennelijk meer te doen. Hij moet verkondigen aan het huis van Israël. Eigen volk eerst, vrouw. En dat verkondigen aan eigen mensen is toch al zo moeilijk. En nou komt die heidense ook nog zeuren.

Heb ook oog voor een klein detail in de prent. Je ziet het gauw over het hoofd. Zie je ook dat kleine hondje? Je hoort het bijna keffen. Het hondje springt tegen de vrouw op. Dat doen kleine hondjes. Misschien is dat hondje wel die vrouw.

Jezus zegt: Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven.

De vrouw zegt: Toch wel, Heer, want de honden eten toch ook de kruimels, die van de tafel van hun meesters vallen?

Dit verhaal van Matteus is een juweeltje.

Het is een uitsnede uit zijn grote evangelieverhaal. En daarom kun je er in feite twee dingen mee doen.

Je kunt eerst kijken naar het hele evangelie van Matteus en dan kijken wat de plaats van dit kleine verhaal is in het grote boek van die meesterverteller.

Maar je kunt ook kijken naar dit detail van zijn verhaal, je kunt kijken naar de uitsnee zelf: die vrouw en dat hondje en dan kijken wat zij ons hier en nu te zeggen heeft.

image

Bowyer Bible | Phidev74, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons

In het gehele evangelieverhaal van Matteus is dit een scharniermoment.

Een hoofdstuk terug vertelt Matteus over de broodvermenigvuldiging. Jezus geeft de menigte te eten. Vijf broden en twee vissen. Twaalf korven blijven over. Ruim voldoende voor de 12 stammen van Israël. Jezus is gekomen voor het Godsvolk.

Later in dit hoofdstuk een ander broodverhaal. Zeven broden met wat vis zijn voldoende voor vierduizend mensen. Zeven broden: Gods woord in al zijn volheid ruim voldoende voor de volkeren van de vier uiteinden van de aarde.

En tussen die twee broodverhalen in: dit scharnierverhaal. De ontmoeting van de vrouw uit het heidense land opent Hem de ogen voor allen die buiten het eigen volk van God wonen.

Zijn boodschap is bestemd voor de hele wereld. De gehele oikoemenè.

Zoals het lied zingt:

Wij treden aan het ontoeganklijk licht,
wij volkeren, wij heidenen, wij mensen.
Wij zien het leven zelf in het gezicht,
God haalt ons thuis van achter alle grenzen.

Die fiere vrouw eist haar plaats op aan de tafel van Gods woord. Zij gelooft dat Gods woord joden én heidenen kan voeden. Gods woord is bestemd voor alle mensen van heel de wereld.

Wat moet dit verhaal over die ‘heidense’ vrouw goed gedaan hebben aan alle ‘heidense’ lezers van het Matteusevangelie. Dit verhaal maakt de geesten rijp voor wereldmissie.

Maar je kunt dit verhaal van de kanaanitische vrouw ook lezen op zichzelf: als een miniatuurverhaal voor ieder van ons. Wat kunnen wij met dit verhaal, wie zijn wij in dit verhaal?

Zijn we wellicht het huis van Israël, dat meent dat de Heer bij ons woont, dat Hij een voorkeur heeft om binnen onze muren te vertoeven? Kennen wij niet de ergernis als vreemden binnen de grenzen van onze kerkelijke en andere leefpatronen binnendringen en ons naderen met hun soms indringende verlangens. Dan kunnen wij lijken we op leerlingen, die zeggen: ‘Stuur die vrouw toch weg.’

Wellicht hebben wij iemand thuis of dichtbij, die zichzelf kwijt is, beheerst door verslavende krachten die haar of hem in hun greep houden, of zijn we het zelf? Hoe goed en heilzaam als je dan iemand hebt als die Kanaänitische vrouw, die als een leeuwin voor je vecht.

Misschien ben je jaloers op het geloof van die vrouw. Zou je daar wat meer van willen hebben.

Zo staande blijven als je in de hoek wordt gedreven, zo waardig en krachtig reageren als je wordt vernederd, zo blijven geloven in de liefde van God en mensen. Een vreemde vrouw, die je raakt, jouw verlangen wekt, die je stil maakt…

image

Bowyer Bible | CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons