Er knielt een vrouw voor Jezus.
Met open, smekende handen. Ze treedt naar voren, zegt het verhaal. Later: ze komt naderbij, ze werpt zich voor zijn voeten. Ze komt met een bede. Niet eens voor zichzelf: haar dochtertje is bezeten. Het kind wordt verschrikkelijk gekweld. Mij dunkt: zo’n bede raakt je tot in het diepst van je ziel.
Het is een heel gezelschap daar bij Jezus: veel gezichten vol meewarigheid, weerzin, misprijzen, ergernis, minachting. Ze zijn boos om dat lastige mens. Stuur die vrouw weg, ze blijft ons achterna roepen. Jezus zelf kijkt ook niet vrolijk op de prent. Hij keert zich nauwelijks naar de vrouw toe. Hij wijst vooruit naar iets anders. Hij heeft kennelijk meer te doen. Hij moet verkondigen aan het huis van Israël. Eigen volk eerst, vrouw. En dat verkondigen aan eigen mensen is toch al zo moeilijk. En nou komt die heidense ook nog zeuren.
Heb ook oog voor een klein detail in de prent. Je ziet het gauw over het hoofd. Zie je ook dat kleine hondje? Je hoort het bijna keffen. Het hondje springt tegen de vrouw op. Dat doen kleine hondjes. Misschien is dat hondje wel die vrouw.
Jezus zegt: Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven.
De vrouw zegt: Toch wel, Heer, want de honden eten toch ook de kruimels, die van de tafel van hun meesters vallen?
Dit verhaal van Matteus is een juweeltje.
Het is een uitsnede uit zijn grote evangelieverhaal. En daarom kun je er in feite twee dingen mee doen.
Je kunt eerst kijken naar het hele evangelie van Matteus en dan kijken wat de plaats van dit kleine verhaal is in het grote boek van die meesterverteller.
Maar je kunt ook kijken naar dit detail van zijn verhaal, je kunt kijken naar de uitsnee zelf: die vrouw en dat hondje en dan kijken wat zij ons hier en nu te zeggen heeft.