De lezing uit het evangelie volgens Johannes situeert zich in een soort afscheidsgesprek. Jezus wil zijn leerlingen voorbereiden op zijn heengaan en hen troosten: “Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op mij…Wanneer ik een plaats voor jullie bereid heb, kom ik terug. Dan zal ik jullie met mij meenemen en dan zullen jullie zijn waar Ik ben.”
De leerlingen begrijpen er niets van. Wat moeten ze zich voorstellen waar hun geliefde meester naartoe zegt te gaan? Thomas verwoordt het zo: “wij weten niet eens waar u naartoe gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?”
Dan volgt er een heel bekende uitspraak van Jezus:
“Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.”
Het blijft raadselachtig. Filippus in al zijn naïviteit zegt: “Laat ons de Vader zien, Heer, meer verlangen we niet.”
Jezus lijkt ontgoocheld: ”Ik ben al zo lang bij jullie en nog ken je mij niet….Geloof je niet dat ikin de Vader ben en de Vader in mij is? De Vader doet zijn werk door mij. Als ge mij niet gelooft, geloof het dan vanwege de werken.”
Dit is ook naar ons gericht. Geraken wij niet even gemakkelijk verward als de leerlingen wanneer we dit allemaal lezen?
Misschien vinden we enige houvast als Jezus verwijst naar de vele werken van God die door Hem gebeuren. Want die werken kennen we. Jezus leeft ze ons voor: hij geneest zieken, laat blinden zien, herstelt lamme mensen in hun kracht en bevrijdt mensen die bezeten zijn, komt op voor de armen, troost bedroefden…Dat hebben de leerlingen allemaal gezien.Maar wat moeten ze dan precies geloven, waar ze maar niet toe komen?
De evangelist wil ons nog iets fundamenteler geven, dat God mysterie is, niet te kennen is.
Als leerlingen dachten te weten wie Hij was en dat met veel overtuiging verkondigden, zet Jezus hen op hun plaats. Het gebeurt met Petrus in het vers dat aan de lezing van vandaag vooraf gaat. Petrus verklaart “waarom kan ik u nu niet volgen, Heer? Ik wil mijn leven voor u geven!” Waarop Jezus hem enigszins belachelijk maakt: ”Jij je leven voor mij geven? Werkelijk, ik verzeker je, nog voor de haan kraait zul je mij driemaal verloochenen.”