Article header background
Terug naar overzicht
Tommy Vandendriessche
image

Vijfentwintigste zondag door het jaar

Overweging bij de Bijbellezing

image

Mozaïek uit het plafond van de Latijnse Calvariebergkapel in de Heilige Grafkerk, Jeruzalem © Lawrence Lew, OP

Vandaag is er veel te doen over AI, artificiële intelligentie. Zoals alle technologische ontwikkelingen biedt dit zeker mogelijkheden, maar er zijn duidelijk ook niet te onderschatten schaduwzijden.

Eén van de mogelijke valkkuilen van die ‘AI- chatbots’ is dat die de neiging hebben om je te ‘pleasen’, te behagen. Net als bij sociale media bestaat het gevaar dat je terechtkomt in een echokamer. Je wordt meer en meer bevestigd in je eigen visie.

Toegegeven, het is aangenaam om bevestigd te worden in wat we al wisten en dachten. Het is fijn om samen te komen met gelijkgezinden. Dat kan ook het geval zijn in onze parochies, verenigingen en bewegingen. Maar … als je elkaar in levenden lijve ontmoet kun je niet wegklikken als iets schuurt of irriteert. Ook Bijbellezen, bij voorkeur samen, is een oefening die ons kan behoeden van hokjesdenken.

Het verhaal dat we zonet hoorden staat bekend als de ‘parabel van de werkers van het elfde uur’ of, neutraler geformuleerd: ‘de parabel van de arbeiders in de wijngaard’.

Een parabel is een kort, symbolisch verhaal dat plaatsvindt in een realistische, dagelijkse setting. De parabels uit de evangelies komen wellicht het dichtst bij het taalgebruik van de historisch Jezus. De verhalen laten zien hoe nauwkeurig hij mensen en dingen heeft waargenomen.

Jezus moet over een bijzondere spreekvaardigheid hebben beschikt en hij hanteerde een taal die de dikke ijslaag van de menselijke onverschilligheid wil stukslaan.

De evangelisten hebben geprobeerd die verhalen min of meer in te passen in het verhaal van de gemeenschap waarvoor zij schreven. In het Matteüsevangelie is de boodschap dan vermoedelijk dat er geen onderscheid mocht gemaakt worden tussen de mensen van het eerste uur (die Jezus nog gekend hadden) en hen die later zijn toegetreden. Geactualiseerd: hoe lang al of hoe vaak je naar de parochiebijeenkomsten komt of hoe lang je al in de ‘raad’ zit mag niet spelen in een gelovige gemeenschap!

Zinvolle boodschap, maar een parabel laat zich niet herleiden tot één morele boodschap. Het verhaal blijft ons verder uitdagen.

Bijbelgeleerden geven aan dat de kern van Jezus’ prediking te maken heeft met het ‘Koninkrijk Gods’. Dat is er nog niet volledig … en lijkt soms heel veraf.

Maar wie kijkt met gelovige ogen ziet dat het wel degelijk een realiteit is.

Het staat op het punt helemaal door te breken. Je ziet het, hier en nu (hier en daar) dat laatsten eersten worden, dat de grootsten de kleinsten worden. Een wereld omgekeerd!

image

Detail van de zogenaamde Antiochië-kelk (ca. 500-550) in het Metropolitan Museum of Art in New York © Lawrence Lew, OP

Het Koninkrijk heeft niets te maken met een ‘ruimtelijk gebied’. Maar het is wel concreet. Het bestaat niet enkel in de stilte van ons innerlijk. Het bestaat daadwerkelijk, in onze menselijke relaties en in onze relatie met de Schepping.

Het was er Jezus om te doen een ‘beweging’ op gang te brengen. En hierin breekt het Koninkrijk van God door. Matteüs spreekt (in tegenstelling tot Marcus en Lucas) over het ‘Koninkrijk der hemelen’. Als getrouwe Jood spreekt hij de naam van God niet uit, maar vergis je niet: het gaat niet (in de eerste plaats) over ‘hierboven’ of het ‘hiernamaals’. Jezus’ prediking onderscheidt zich van de apocalyptici van zijn tijd, ook al gebruikt hij soms wel hun beeldspraak. Die zagen dat het niet meer goed kwam in deze wereld en dat er dus later een ‘andere’ wereld in de plaats moest komen.

De prediking van Jezus zet onze beleving van de tijd op scherp.

Het Rijk Gods is niet in één beeld te vatten, daarom worden in parabels en gelijkenissen verschillende beelden gebruikt. Veel van die beelden hebben te maken met groeien (het mosterdzaadje, de vijgenboom, ...). Het begint klein, maar breekt onstuitbaar door.

Het Goede baant zich een weg in onze geschiedenis, onstuitbaar. En … het hangt gelukkig niet van mij alleen af (want vaak dommel ik in). Maar, ik mag er aan deelnemen, ik mag er aan meewerken. En dat mee-werken is vreugdevol, vervullend!

In de Bijbel is het binnenhalen van de oogst altijd iets vreugdevol geweest. Doch, niet in het verhaal dat we zonet hoorden! Hoe komt dat?

De landeigenaar (niet zijn ondergeschikte rentmeester, maar de landeigenaar zélf) wil zo veel mogelijk mensen betrekken bij zijn vreugdevolle project. Maar toch hangt er een donkere sfeer … de werkers van het eerste uur morren.

Moeten zij (wij) leren dankbaar te zijn? Dankbaarheid is een weg naar innerlijke vrijheid.

Meewerken aan het Rijk Gods is best wel inspannend, géén luilekker-toestand, maar het mag en kan uitermate vreugdevol zijn. In het Rijk Gods is geen plaats voor vergelijken, afgunst, hebzucht… Alleen innerlijk vrije mensen kunnen ergens begrijpen dat de God van Jezus onbegrijpelijk goed is.

Maar mogen we ook compassie hebben met deze werkers (van het elfde én van het eerste uur)? Mensen die het al moeilijk hebben, zwaar repetitief en onzeker werk, zijn gemakkelijk tegen elkaar op te zetten. Niet iedereen beschikt over de capaciteiten en omstandigheden om zich de vreugdevolle vrijheid eigen te maken. Er is geen reden om op de werkers (van het eerste of van het elfde uur) neer te kijken! Want dan hebben we de parabel waarschijnlijk ook niet goed begrepen.

De oogsttijd moet voor iedereen weer een tijd worden van jubel en vreugdekreten.

Met psalm 145 mogen we dan zingen:
“Ik zal altijd zingen voor de heilige Heer. Alles wat leeft, moet de Heer danken, nu en altijd!”

image

© Adobe