Matteus is zich bewust dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is in zijn geloofsgemeenschap. Hij schrijft zijn evangelie aan het einde van de eerste eeuw. Het verrijzenisgeloof is de grondslag geweest van de eerste christengemeenschappen. Maar algauw doen zich strubbelingen voor. Matteus heeft te maken met mensen met een verschillende achtergrond. Sommigen hechten veel meer belang aan de joodse traditie dan anderen die eerder aanleunen bij een hellenistische tendens. Samen leven brengt onvermijdelijk wrijvingen met zich mee. Misschien heeft de parabel van het zaad daarmee te maken. Kan gedeeld geloof samen gaan met diversiteit? In elk geval een uitdaging om mee om te gaan. Duidelijk is dat het samenleven in de geest van Jezus haaks staat op de vigerende cultuur van de Romeinse overheerser.
Christenen worden als achterlijk en ongecultiveerd beschouwd. Wat de Romeinen als “cultuur” en “gerechtigheid” beschouwen gaat regelrecht in tegen de idealen die de vrienden van Jezus er op na houden. “Zalig de armen van geest”. Daarmee is Jezus zijn toespraak op de berg begonnen. Daarmee wordt een heel andere wereld tot leven geroepen. Wat dwaas is in de ogen van de Romeinen wordt door de volgelingen van Jezus als wijsheid ervaren. Dat heeft ook Paulus ondervonden in zijn confrontatie met de vergoddelijking van de Romeinse keizers die hij op zoveel plaatsen tegen komt. “Allen die door de geest van God worden geleid, zijn kinderen van God. U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn” (8, 14-15). Dat is de levensstijl die de christengemeenschap in het hart draagt en daadwerkelijk in de praktijk probeert te brengen.
Het is geen sinecure: dat wil de parabel ook duidelijk maken. Er zijn niet alleen de materiële omstandigheden die in de praktijk als hobbel ervaren worden( rotsachtige plekken, ondiepe grond, distels, enz). Er wordt gesuggereerd dat ook de persoonlijke inzet niet voor iedereen dezelfde hoeft te zijn. Merkwaardig is hoe het slot van de parabel in neergaande lijn gaat. Er is sprake van honderdvoudig, zestigvoudig, dertigvoudig (13, 8). Verscheidenheid mag blijkbaar een plaats hebben in de gemeenschap. Het troost te weten dat niet iedereen een zelfde inzet kan leveren. Het klinkt in de parabel niet als een verwijt.