Terug naar de oorsprong
Wanneer de dood nadert, gebeurt het meer dan eens, dat een mens om zijn ouders roept; het is of zo iemand op zoek is naar de geborgenheid van het begin. Je wordt weer kind, gaat terug naar de oorsprong. In die trant horen we in de evangelielezing van vandaag, rabbi Jezus. Veel heeft Hij gezegd tot zijn leerlingen; maar het laatste woord in hun midden richt Hij tot die Ene van wie hij vandaan komt, in wie Hij geborgenheid vindt: zijn Vader in de hemel.
Wat Hij uitspreekt is heel bijzonder: geheel en al vertrouwt Hij zich aan die Vader toe, als iemand bij wie Hij zich volkomen thuis voelt; en tegelijk betrekt Hij in die relatie zijn leerlingen met wie Hij jarenlang heeft rondgetrokken als prediker en van wie Hij nu afscheid neemt. Hij gaat terug naar zijn oorsprong, naar het hemelse licht; de zijnen echter, degenen die zich aan Hem toevertrouwden, blijven achter in een wereld die, toen en nu, allesbehalve lichtend is.
Dagelijks maken we mee dat de waarheid verduisterd wordt door leugens en de waardigheid van weerlozen vermorzeld onder puin. Daarom vertrouwt Hij de zijnen toe aan de liefde van zijn Vader en bidt Hij over hen datgene af waaruit Hijzelf al heel zijn leven kracht put: de band die Hij heeft met Hem.
Ik heb U verheerlijkt op aarde, verheerlijk mij nu bij U, bidt Hij. Dat klinkt op het eerste gehoor ver weg, hoog boven ons uit - fijn voor Hem, maar wat betekent het voor ons? Wat Hij bedoelt is:
Ik heb laten zien en horen wie U wilt zijn voor deze wereld, wat U wilt betekenen voor mensen die snakken naar licht in de duisternis om hen heen.
Niets anders wilde Hij zijn dan Gods logos, Gods woord zoals het wordt vertaald. Daar is niet een stel letters op papier mee bedoeld, maar een levend roepen een aanhoudend aanspreken, te vergelijken met het toelachen en toespreken van een klein kindje net zo lang tot er op het snoetje een glimlach verschijnt, of de naam roepen van een geopereerde patient in de uitslaapkamer om hem of haar tot bewustzijn te wekken.