Op zondag 4 oktober eindigt in de kerk de periode van de schepping. Deze scheppingsperiode, die op 1 september begint, is een tijd waarin speciale aandacht uitgaat naar de niet-menselijke schepselen. Met deze medeschepselen zijn wij onlosmakelijk verbonden en we zijn van ze afhankelijk. Zij voeden en beschutten ons. Hun schoonheid geeft ons vreugde en hun grootsheid imponeert ons.
Zoals mensen ons op hun beste momenten een indruk kunnen geven van Gods verhevenheid en goedheid, zo kunnen bergen en zeeën, planten en dieren dat evenzeer. In het evangelie van vandaag vergelijkt Jezus het menselijk bestaan met het beheren van een wijngaard die door een ander is aangeplant.
Wij mogen ervoor zorgen en ervan leven, maar we kunnen niet doen alsof de wijngaard in alles ons bezit is. Het is een geschenk en ook anderen, ook volgende generaties, moeten van dit geschenk kunnen profiteren.
Toch doen wij als mensen op dit moment vaak alsof wij naar willekeur over alles mogen beschikken. We weten inmiddels waar dit toe leidt: uitstervende planten- en dierensoorten, een stijgende zeespiegel en een steeds onberekenbaarder klimaat. Gebieden dreigen onbewoonbaar te worden door hitte die tot bosbranden leidt, of juist door zware regenval met overstromingen als gevolg. Smeltende gletsjers gaan schuiven, slepen huizen mee en laten bewoners omkomen.
De profeet Jesaja beschrijft hoe wat begon als wijngaard, eindigt als wildernis. De wijnstokken werden niet met de nodige toewijding onderhouden en brengen nu wilde bessen voort, in plaats van sappige druiven waar je wijn van kunt maken ‘die het mensenhart verheugt’, zoals Psalm 104 (vers 15) zegt. Het is een beeld van een cultuur die gebaseerd is op uitbuiting en winstbejag, op het najagen van eigenbelang. Waar de norm wordt dat iedereen zichzelf centraal stelt en geen oog heeft voor wat anderen nodig hebben, schiet het onkruid op: ‘Distels en doorns groeien er hoog’ (Jes. 5,6). God had volgens de profeet heel andere plannen en is diep teleurgesteld. ‘Hij hoopte op recht, maar Hij zag onrecht, Hij zag geen betrachting, maar verkrachting van recht’ (vers 7).
Anderen met kracht je wil opleggen en dwingen te doen wat jij wilt, kan aantrekkelijk lijken. Je bent vrij, zelfstandig, jouw wil is wet. Maar keer op keer loopt dit fout af. Wie macht tot grondslag van het recht maakt, ontdekt dat dit zelfdestructief is. Ooit zul je zelf de zwakke partij zijn en dan heb je niets anders dan het recht dat je dan gegund wordt. Je hoeft geen zwartkijker te zijn om het gevoel te hebben dat wij het Bijbelse dubbelgebod aan het vergeten zijn dat ons gebiedt God en elkaar lief te hebben.