Article header background
Terug naar overzicht
Jef Schoenaerts
image

Zeventiende zondag door het jaar

“Het koninkrijk van de hemel is midden onder ons.”

Binnenkort maken we de overstap van een huis naar een appartement. Na 44 jaar “verzamelen”, keren we ons huis ondersteboven: wat nemen we mee, wat niet? Daarbij rijst vaak de vraag: is, wat ik ooit heb bijgehouden maar waar ik decennia niet naar omgekeken heb, nu toch van waarde? Het maken van keuzes over wat waardevol is om mee te nemen, is niet zo eenduidig.

In de evangelielezing van vandaag spreekt Jezus in gelijkenissen over de waarde van het koninkrijk van de hemel. En merkwaardig genoeg verweeft Hij daartussen aan Zijn leerlingen de vraag: “Hebben jullie dit alles begrepen?” waarop een kort en krachtig ”Ja” volgt.

Op het eerste gezicht kan je dat bevestigend antwoord van de leerlingen wel volgen.

De boodschap van de eerste twee parabels lijkt immers heel eenvoudig: er is de zoeker van een schat of van parels, die zoeker, dat ben ik, dat zijn wij. En de schat/de parel, dat is het rijk van de hemel

– of, zoals dat in de andere evangelies luidt, het Rijk Gods. Geen inspanning is te groot om die schat te vinden. Eens gevonden, heb je er alles voor over om hem te houden. Misschien was dat vroeger wel een heldere, overtuigende zienswijze toen het geloof in het Koninkrijk van de hemel – zoals dat door de kerk werd bemiddeld - aanvoelde als een soort levensverzekering waardoor je voor de rest van je leven safe was. Vandaag is die interpretatie van de lezing over schat en parel minder evident maar dat maakt het wellicht niet minder boeiend.

image

Johannes Vermeer, Public domain, via Wikimedia Commons

Twee bedenkingen hierbij…

De vergelijking van het Koninkrijk van de hemel met een waardevolle parel lijkt te suggereren dat er zoiets bestaat als een objectieve, onveranderlijke geloofsschat.

Niets van wat echt waardevol is in mijn dagelijks leven ligt onveranderlijk en blijvend vast. Voor de realisatie van mijn ambitie in mijn beroepsloopbaan bijvoorbeeld had ik wel wat over, tot de geboorte van mijn kinderen, mijn kleinkinderen mijn waardenschaal stilaan heeft veranderd. Ook in wat ik zie als de geloofsschat waar ik naar op zoek ben, is er in mijn leven wel wat verschoven. Gaandeweg krijgt de zoektocht naar God in mijn leven andere contouren, wordt Zijn naam veelstemmiger, klinkt Zijn boodschap anders dan vroeger. Ook de vindplaats van God in mijn leven wijzigt: waar liturgie en gebed nog steeds bevoorrechte gelegenheden zijn van godsontmoeting, zijn er ook andere parels met goddelijke uitstraling te vinden. Wanneer ik mij in Zijn naam verbindt met mensen- veraf en dichtbij – die leven in ziekte, in gemis, in nood, dan geef ik mee vorm aan het Rijk Gods. Wanneer ik probeer mijn leven in dienst te stellen van de groei van gerechtigheid, weet ik God dichtbij terwijl Hij het Koninkrijk mee bewerkstelligt.

De schat van het Koninkrijk van de hemel is te vinden in parels van allerhande soort.

Ze raken pas ontbolsterd naarmate ik er laag voor laag de buitenschil afhaal om steeds dichter te komen bij de waarde ervan.

image

Tahiti-parels | Cabmok, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons

Een tweede bedenking.

Marion Muller-Collard wijst in een commentaar bij deze vergelijkingen op een merkwaardig verschil tussen beiden. Terwijl het Koninkrijk van de hemel in de eerste parabel lijkt op een schat verborgen in een akker, lijkt het in de tweede parabel op een koopman die gepassioneerd op zoek is.

Stel dat Jezus hier bedoelt dat de koopman ook God zelf kan zijn die met passie op zoek is naar u en mij.

Dan verschuift de focus in deze parabel naar het verlangen om gezocht te wórden eerder dan naar het zoeken, om gevonden te wórden eerder dan naar het vinden.

Dikwijls herhaalt Jezus dat het Koninkrijk dichtbij is, zelfs midden onder ons aanwezig is. We zien het zo weinig omdat we vaak gefocust zijn op het zélf op zoek gaan naar de schat en te weinig oog hebben voor wat mét ons, ín ons en áán ons gebeurt als de realisatie van het koninkrijk.

Zouden de twee parabels ons willen duidelijk maken dat het Koninkrijk Gods dichtbij is voor wie zoekt en dat God zelf zichzelf tegelijk onthult aan wie verlangt Hem te kennen?

“Heb jullie dit alles begrepen?” luidde de vraag van Jezus aan Zijn leerlingen en dus ook aan mij, aan ons. Eerder dan een “ja” zoals de leerlingen, zou ik reageren zoals de Emmaüsgangers: “Brandde ons hart niet toen Hij hierover sprak?”

In mij leeft immers het vermoeden dat het begrijpen waar het bij het Koninkrijk van de hemel over gaat enkel kan groeien door de aandacht voor Gods aanwezigheid in het hier en nu van elke dag.

image

CC0, via Wikimedia Commons