Een gelovige vrouw die een zwager, haar man en een dochter aan alzheimer had verloren, vertrouwde me toe dat zij bij alles wat haar overkwam steun vond in het gebed. Op mijn vraag 'Hoe dan?' antwoordde zij: 'Het wordt geweten'. Haar woorden tonen een opvallend en diepzinnig beeld van God: geen 'almachtige' in de lijn van 'doe er iets aan', maar iemand die met aandacht ziet,
zich laat raken door wat een ander doormaakt en het in zich opneemt. Het doet denken aan het vertrouwen dat een kind heeft in goede ouders. Die helpen hun kind niet door te verhinderen dat het valt bij de eerste stapjes of door het in de puberteit af te schermen van de risico's die inherent zijn aan de verkenning van het leven.
Wat zij wel doen is: laten merken dat zij er zijn. De kwetsuur en de pijn worden niet uitgewist maar mede gedragen.
Het kind dat zich daaraan toevertrouwt kan op zulke momenten meer dan ooit ervaren dat het kostbaar is in de ogen van de ouders en als een schat in hun hart wordt gedragen. Het besef van eigenwaarde dat dit opwekt geeft het de kracht om de hardheid van het bestaan aan te gaan.
Deze wisselwerking tussen het 'er zijn' van de een en het zich toevertrouwen van de ander lezen wij in het evangelie. Jezus is verrukt in gesprek met zijn Vader. Zo te horen draagt dit contact hem bij alles wat Hij tegenkomt, aan moois én verdrietigs. Hier spreekt iemand die door wil geven wat Hij zelf ontvangt. Hij is niet zelfgenoegzaam, zichzelf genoeg, iemand die het allemaal weet en het zelf wel zal redden. Juist op het beslissende moment van 'erop of eronder', aan het kruis, laat Hij zien dat Hij het niet zelf wíl redden. Hii vertrouwt zichzelf en heel zijn zaak toe aan zijn Vader in de hemel.